• Decrease font size
  • Reset font size to default
  • Increase font size

Nieuws

20-08-2016: Link naar brief over ziekte

Tips!

Gebruik het email icoon voor een printervriendelijke versie!
Probeer ook eens de zoekmachine rechts bovenin! Ongetwijfeld bespaart dat veel moeite bij het zoeken.
Openbaring 21: 24b en 26 PDF Afdrukken E-mail
Geschreven door G. Hette Abma   
vrijdag 01 augustus 2003 08:07

TEKST: OPENBARING 21: 24b en 26

 

TEKSTKEUS

Ook al stelt het altijd weer voor een aantal lastige exegetische en hermeneutische vragen toch verdient het aanbeveling met enige regelmaat te preken uit de Openbaring. Bij de beklemmende vrees voor dreigende rampen mag de blijde geloofsverwachting versterkt worden. Prediking als  remedie tegen mismoedigheid. Al onze activiteiten zijn niet zinloos. Uiteraard zal straks de inzet voor de directe dienst aan God op verrassende wijze eeuwigheidswaarde blijken te bezitten. Maar zelfs ook allerlei culturele prestaties zullen niet hun bestemming vinden op de vuilnisbelt van de wereldgeschiedenis. Wat wij als het mooiste koesteren, dat mag worden binnengedragen in het nieuwe Jeruzalem!

 

EXEGETISCHE OPMERKINGEN

In het uiteindelijke verschiet van de verwachting van de toekomst des Heren ligt de vernieuwde kosmos: boven de nieuwe aarde welft zich een nieuw uitspansel (Openbaring 21:1). Zo moeten we ons de finale realisering van het verlossingswerk voorstellen. Als een klein kind zal Johan­nes grote ogen hebben opgezet toen hij het nieuwe Jeruzalem zag neerdalen vanuit de hemelse regionen. Een grandioze aanblik: als een stralende bruid die in de mooie trouwjurk wacht op de bruidegom (Openbaring 21:2). Als we letten op de naam van de stad Gods zullen we ons dankbaar mogen realiseren hoe er zo dus toch in de eeuwige heerlijkheid een herinnering bewaard blijft aan de verkiezing van Israël. Miskotte merkte op: "Een sterk staaltje van Israëli­tisch besef aangaande Gods bijzondere openbaring. Zelfs in de onvoorstelbare verten van Gods geheimenis, de voleinding der eeuwen, daar geldt nòg het woord 'Jeruzalem'. Dat was een stad en een poosje later een hoop verweerde en smerige stenen; en daar zal eenmal naar zijn eigen­zelvig zijn niets van overblijven; en toch gaat het over in de 'nieuwe' heilige stad. Het uitvaagsel wordt nog uitspansel" (Hoofdsom der historie, Nijkerk 1944, pag. 446).


  In de geest wordt de bejaarde balling van Patmos als een kind bij de hand genomen door één van de engelen, die de zeven fiolen met de laatste rampen had uitgegoten. Nu rest de attractie­ve werkzaamheid vanaf een hoge berg aan de apostel de mooie bruid van dichterbij te tonen. Een hele passage is gewijd aan de omschrijving van de zichtbare heerlijkheid van het heilige Jeruzalem (Openbaring 21 9-21). Daarbij frappeert het Johannes, dat hij geen tempel in de stad ziet (Openbaring 21:22). Dit is zelfs voor een Jood die Yeshua als zijn Messiah erkent echt onvoorstelbaar (S. Michel, ThWNT IV, S. 894, vergelijk Str. B. III, S. 852: "Das zukünftige Jerusalem ohne Tempel - ein für die alte Synagoge unvollziehbare Gedanke"). Slaan de vromen in Israël dan niet faliekant de plank mis wanneer zij in hun dagelijkse gebeden vragen om de terugkeer van de Eeuwige naar zijn stad met daaraan direct verbonden de hoop op de herbouw van de tempel? Binnen verschillende groeperingen van het jodendom is men zelfs heel concreet bezig met het treffen van de voorbereidingen voor de herbouw. Dit alles zal echter geheel in de lijn van de profetie van Ezechiël (de hoofdstukken 40 vv) goed kunnen passen in een voorver­vulling van de beloften in een Messiaans rijk. Maar in het rijk van de eeuwige heerlijkheid zal geen tempel meer zijn, laat staan een synagoge of een kerk! Er zal geen specifieke ruimte van bijzondere heiligheid meer nodig zijn, waar de Heilige van Israël zich op een zekere afstand van de mensen zal willen terugtrekken. In de hele stad voelt de HERE zich thuis. Want de almacht­ige God is tezamen met het Lam haar tempel (Openbaring 21:22­b). Een vreemde gedachte voor allen die door de zonde zijn afge­stompt: er zal een onmiddellijk contact met de HERE mogelijk zijn! Zal Hij in de tuinstad niet net als eerst in het paradijs aan de wind des daags gekend worden? Toch mag het ons niet ontgaan dat God steeds in één adem genoemd wordt met het Lam. Zo wordt voor ons meteen duidelijk dat de relatie met de HERE hersteld werd door het offer tot verzoening van onze zonden. Daarop kunnen we in de huidige omstandighe­den niet voldoende geattendeerd worden. Of zal het bovendien tot in eeuwigheid zijn dat de herinnering bewaard blijft aan de verlossing door het Lam? Waarom niet? Het zal ons hart goed mogen doen als enthousiast gezongen wordt: Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed!

  De presentie van God is zo geweldig, dat er geen licht van de zon of maan meer nodig is (Openbaring 21:23). Onmiskenbaar speelt hier de profetie van Jesaja (60:19v) op de achter­grond mee. De stad wordt verlicht door de d­oxa van God. In het Hebreeuwse taaleigen gezegd: de kabod, Ehrenschein (Buber). Dus de lichtglans die de HERE uitstraalt. Ook hier wordt weer expliciet over het Lam gesproken, namelijk als de lamp. Op Hem schijnt de glans der heerlijkheid van God af. De volken zullen in haar licht wandelen (Openbaring 21:24a). Opnieuw gaat het om een kennelijke verwijzing naar de profetie (Jesaja 60: 1-3). Destijds werd gesproken over de terugkeer van de Joden na de ballingschap in het herbouwde Jeruzalem. Nu gebruikt Johannes die beelden als hij spreekt over het heilige Jeruzalem, dat hij uit de hemel had zien neerdalen. ­We kunnen hem niet betrappen op een krampachtig streven naar originali­teit. Telkens blijkt hoe de apocalypticus ademt in de geest der eeuwenoude profetie.

  Zo kan hij aangeven hoe­ de uiteindelijke heerschappij van God over de wereld zal worden erkend. In dit verband is het goed op te merken, dat de christelijke eindverwachting zich do­or de theocentrische aandacht onderscheidt van alle andere religies. Wanneer dat besef op de achtergrond raakt verwordt de nieuwe aarde tot een paradijs naar islamitische opvatting (Zie: Helmut Echternach, Der Kommende, Gütersloh, 1950, S. 175).

  En de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid (doxa) en eer  (timè) in de stad van God (Openbaring 21:24b). De rijkdom en pracht der volken zal in de stad worden gebracht (Open­baring 21:26). Opnieuw zullen we dit dienen te ­lezen tegen de achtergrond van de profetie van Jesaja (60:3-6). Wat een radicale verandering wordt zichtbaar! Gedurende vele eeuwen zijn de machthebbers der volken naar Jeruzalem getrokken om de stad te belegeren, verwoesten en van schatten te beroven. Nu zijn de rollen totaal omgekeerd: de koningen brengen het mooiste wat ze bezitten naar Jeruzalem om God glorie te geven.  Zoals we op de triomfboog van Titus nog altijd kunnen zien werden in de dagen van Johannes de schatten van de tempel naar Rome gebracht. Hoe zoet is de wraak van God als Hij de volken op basis van vrijwilligheid hun kostbaarheden de nieuwe stad van de toekomst laat binnendragen. Het is boven alle twijfel verheven dat de shalom van Jeroesjalaim de pax romana verre overtreffen zal!

  De poorten van de stad zullen de hele dag openstaan. Zij behoeven nooit gesloten worden, want er zal geen nacht zijn (Openbaring 21:25). Van alle kanten is er voor de volken entree via de poorten, die weliswaar de namen dragen van de twaalf stammen van Israël (Openbaring 21:12). Er bestaat geen dreiging van criminaliteit. Eindelijk is er niet meer een gevoel van onveiligheid, al hoeft daar niet meer blauw voor op de gouden straten te zijn. Leefbaar nieuw Jeruzalem is zoals God het altijd gewild heeft. ­Er komt niets de stad in wat slecht is. Geweerd is ieder die zich verslingerd aan gruwelijke afgodendienst of die gebruik wil maken van leugen en bedrog. Vergelijk dit met wat we lezen in het voorafgaande. Voor wie geen plaats is in nieuw Jeruzalem, die komt terecht in de vuurpoel die met zwavel wordt brandend gehouden (Ope­nbaring 21:8).  Uitsluitend zullen binnengaan degenen van wie de namen geregistreerd staan in het levensboek van het Lam. Gelukkig staat er niet: die zich absoluut niet bezwadderd hebben met zondige praktijken. Het gaat niet om de eigen prestatie, maar om Gods gratie!


  De lastigste vraag bij de exegese van de tekstwoorden kunnen we niet uit de weg gaan: slaat dit nu op het rijk van de eeuwige heerlijkheid of gaat het veeleer om de voorvervulling in het messiaanse rijk? Het is niet vreemd dat R.H. Charles de hypothese ontwikkelde dat het gaat in de beschrijving van het nieuwe Jeruzalem om een verschoven beschrijving van het duizendjarig rijk.  De apostel zou zelf zijn werk niet hebben kunnen voltooien en een niet zo competente leerling heeft gezorgd voor een gebrekkige afronding (Critical and Exegetical Commentary on the Revelation of St. John (in: The International Critical Commentary, Edenburgh, 1920). Toch is het waarschijnlijk niet zo zinvol te proberen een reconstructie van de bedoelde tekst te maken, aangezien bij de profeten van Israël dikwijls de beelden van het messiaanse rijk en het rijk van de eeuwige heerlijkheid door elkaar heenlopen. Bovendien gaat het erom bij de her­haalde vervulling van de profetie het patroon van Gods handelen te ontdekken.

 

THEOLOGISCHE NOTITIES

Met geen mogelijkheid kan gezegd worden dat racisme aan het brein van de bijbelschrijvers is ontsproten. In de Schrift is geen sprake van blank of zwart, maar alleen wordt er onderscheid gemaakt tussen Israël en de volken. Wie daarbij denkt aan discriminatie, zal gemakkelijk geneigd zijn tot antisemitisme. Van meetaf zat echter bij de verbondsluiting met Abraham en zijn nakomelingen de bedoeling voor dat de HERE zijn zegen door hen zou schenken aan alle volken (Genesis 12:3). Daarom draait alles in het verkiezend handelen van God weliswaar om Israël, maar gaat het daarbij uiteindelijk om alle volken.

  Veel wordt er in de Openbaring negatief gesproken over de volken (ta ethnè) of in het Hebreeuws gezegd: de gojim (Openbaring 11: 2 en 18; 12: 5; 16: 19; 17: 2 en 14; 18: 3, 9 en 23; 19:15). Dat is niet verwonderlijk: steeds hebben de volken zich verzet tegen God en het Lam. Ook de koningen der aarde stonden in een kwade geur (Openbaring 6:15; 17: 2 en 18; 18: 3 en 9; 19: 19), maar opeens ziet Johannes hoe ze de rijkdom en pracht de stad binnen­brengen. Dit gebeurt echter wel als er een vreselijk oordeel voltrokken is (Openbaring 19: 17-21). Zijn dat andere koningen of dezelfde personen die juist opgedoken zijn uit de vuurpoel om boete te doen en genade te ontvangen? God is daar goed genoeg voor, maar niemand mag daarvan uitgaan. In ieder geval zullen eens de koningen der aarde hulde brengen aan de Eeuwi­ge. Eigenlijk mocht dat in de lijn van onze verwachting liggen. In het begin van het boek doet Johannes de groeten van Jezus, waarbij de Verlossser de qualifikatie wordt als "de heerser van alle koningen der aarde" (Openbaring 1:5). Toch overwint eens de genade! De kracht van het Lam zal niet alleen sterker blijken dan het ongeloof van Israël, maar ook dan de tegenstand van de volken en de koningen der aarde. Eén zinsnede uit het lied van Mozes en van het Lam spreekt boekdelen: alle volken zullen komen en U aanbidden (Openbaring 15: 3v).

  Zo mogen alle volken in nieuw Jeruzalem hun thuis vinden. De poorten staan naar alle kanten wijd open. God houdt er open hof (Psalm 87, nieuwe berijming). Met lege handen zullen ze niet willen komen. Een stroom van geschenken wordt de stad binnen gedragen. Het is onmoge­lijk denkbaar dat dit tegen wil en dank zou gebeuren. Door God wordt geen koloniaal bestuur uitgeoefend, waarbij Hij de volken zal vernederen door en uitbuiten door gedwongen hun tribuut af te staan tot meerdere glorie van zijn komende Rijk. Wandelend in het licht van God en van het Lam ­zullen ze vrijwillig komen om hun huldigingsgeschenken te brengen (Psalm 72:10). Geheel in het voetspoor van de wijzen uit het Oosten, die - al geeft de evangelist daar geen aanwijzing voor - in de traditie als koningen werden getypeerd (Mattheus 2: 1-11). Nu zien we in ieder geval koningen komen uit alle windstreken!


  Welke geschenken brengen ze mee? Mogen we spreken over cultuurschatten? Heel terughou­dend schrijft Miskotte: "De koningen der aarde  brengen hun heerlijkheid en hun eer (men zou misschien kunnen zeggen hun cultuur) binnen" (Hoofdsom, pag. 457). Ongetwijfeld speelt daarin mee dat het sinds A. Kuyper moeilijk is op onbevangen wijze over de cultuur te spreken. Vergaande beschouwingen werden door hem hieraan gekoppeld. Een hele cultuurtheologie is  er op enkele teksten gebouwd (De Gemeene Gratie, deel I, hoofdstuk LXII). Ook K. Schilder had een optimistische cultuurvisie. "Zal de cultuur voor niets gebloeid hebben? Zal al die weelde spoorloos moeten vergaan? Is Gods oordeelsdag een blinde beeldenstorm? Een totale niets sparende àfbraak van wat is? Een spotlach over alles? De Schrift denkt er niet aan. 'Babel' heeft niet tevergeefs geleefd, noch tevergeefs gespaard, of zijn rijkdommen opgetast. (....) De zònde in de cultuur van 'Babel - die is het, welke God tegenstaat. De zónde wordt uit Babels cultuur wéggebrand. Maar de cultuur in Babels zonde - daar heeft God geen één van zijn profeten ooit tegen laten vloeken" (De Openbaring van Johannes en het sociale leven, Delft 1924, 19513, pag. 310v). Voor alles wat nù goed en mooi is in onze wereld zal er ­straks plaats zijn in het nieuwe Jeruzalem. De geschiedenis is niet onbelangrijk. Eens zal de werkelijke waarde van kunst, wetenschap en techniek blijken, wanneer het alles zijn vervulling krijg­t. Het mag dienen tot meerdere glorie van God. Volgens R.H. Bremmer is er geen sprake van vrucht van 'gemene gratie', maar om het binnendragen van de vruchten van de door Christus' bloed gereinigde cultuurresultaten van de volkeren (Visioenen op Patmos, Barneveld, 1982, pag 128).

 

HOMILETISCHE AANWIJZINGEN

Misschien kan het lied van Joh. de Heer (...) in de preek een aanknopingspunt vormen om na te gaan welke voorstellingen er zoal leven in de gemeente betreffende hetgeen betekenis zal hebben in de dag van de toekomst: "Niets is hier blijvend; alles hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan. Maar wat gedaan wordt uit liefde tot Jezus, dat houdt zijn waarde en zal eeuwig bestaan!" Het schema van de wereld gaat voorbij (1 Corinthe 7:31). Dit houdt toch niet in dat er een ruwe vernietiging zal plaats vinden van alles wat in de loop der geschiedenis met grote inspanning is verworven of tot stand gebracht? Op grond van de tekst moet het mogelijk zijn in alle voorzichtigheid te komen tot een waardering van onze culturele activiteiten. Al de schitte­rende rijkdom die eens in de toekomst als kostbaar geschenk het nieuwe Jeruzalem ­kan worden binnengedragen, zullen we beschouwen als gegeven uit de hand van God, onze Schepper!

  Aangezien de prediking altijd evangelieverkondiging dient te zijn, mag er een poging gedaan  worden om de erkenning van de goede mogelijkheden die in de schepping gelegd zijn te bezien in licht van het Lam, dat de zonde der wereld heeft willen wegdragen. Over de zonde moet nooit abstract gesproken worden. Naar de grondbetekenis van hamartia - één van de bijbelse woorden voor de zonde - gaat het om het missen van het doel. Het zal er dus op aankomen dat hetgeen door ons tot stand gebracht wordt -bewust of ook onbewust? - mag dienen tot meer­dere verheerlijking van God en het Lam. De intentie van Calvijn om alles te laten zijn tot eer van Eeuwige mag daarbij steeds weer nadrukkelijk worden uitgesproken.

  Het zal niet eenvoudig zijn in de prediking te concretiseren op welke manier heerlijkheid en eer in de stad van de toekomst kan worden binnengebracht. Met twee suggesties van Schilder kunnen we onze winst doen: "Mijn bijdrage aan de nieuwe aarde, en aan de wereldopbouw ligt in het onvervalste getuigenis van het overwinnend evangelie. (...) Ook ten aanzien van het sociale leven overal vechten voor ongerepte en onvoorwaardelijke handhaving van het onver­valste evangelie, dàt alleen betekent: glorie in Nieuw Jeruzalem dragen (K. Schilder, De Openbaring van Johannes en het sociale leven, pag. 317)

  De volgelingen van Jezus mogen zich nooit opsluiten in een naar binnen gekeerd kerkelijk leven, maar zullen juist op het volksleven betrokken dienen te zijn. Is het niet een riskante onderneming als de gelovigen zich opsluiten in hun christelijke organisaties? Zou een 'door­braak' niet van eminent belang kunnen zijn? Duidelijk mag zijn dat met de antithese de an­tichrist gemakkelijk in de kaart gespeeld wordt. Wellicht wordt het juist in onze geseculariseer­de cultuur van belang de ecclesiologische consequenties te trekken: de kerk is geroepen tot dienst aan de wereld. Zo zal het missionaire élan worden gevoed. Op eigentijdse wijze kan dan ook gestalte gegeven worden aan de theocratische gedachte. H­­et is ongetwijfeld nog niet zo dwaas om in plaats van christelijke politiek te bedrijven ons te richten op messiaanse politiek (vergelijk: K.H. Kroon, Openbaring, verklaring van een bijbelgedeelte, Kampen zj, pag. 170).


  In een tijd van cultuurrelativisme is het raadzaam om zonder nationalistische sentimenten te voeden toch te letten op het glorieuze in de geschiedenis van ons vaderland en de eigenheid van onze Hollandse cultuur. Het is toch absurd wanneer ten gevolge van de multiculturele verwarring stereotiep gesproken wordt over dit land, in plaats van ons land? Ongetwijfeld zal eenmaal in de bonte verscheidenheid van de heerlijkheid van het Surinaamse, Indonesische, Molukse, Turkse of Marokkaanse volk ook de glorie van de Nederlanders worden ingedragen in het Jeruzalem, dat uit de hemel neerdaalt. Eénkennig als juist kerkmensen vaak zijn - dit demonstrerend in hardnekkig verzet tegen het streven naar meer eenheid onder hen die Jezus als hun Verlosser belijden - is de vraag dringend of we nù reeds bereid zijn tot gemeenschap met alle volken, als blanken en zwarten en als rijken en armen.

  Wanneer op bijbelse wijze de volken in het vizier komen, hoeft er geen risico gelopen te worden van een individualistische verenging. Toch kan het nooit kwaad als in iedere preek een persoonlijke noot voorkomt. Naar aanleiding van het tekstgedeelte kan de vraag gesteld worden: zal ik zelf ook dat nieuwe Jeruzalem kunnen binnengaan (Openbaring 21:27)?. Mijn biografie is toch één zondenregister. Over mijn leven zijn enkel zwarte bladzijden geschreven. Gelukkig is er ook een ander boek, namelijk aangaande het leven van het Lam. Daarin kunnen we lezen dat Jezus zich heeft overgegeven in de dood tot redding van hen die anders vanwege hun gedrag voor eeuwig zouden moeten worden buitengesloten. Met name staan ze nu ge­schreven op het conto van het Lam. Ooit zei een predikant in een preek: "Wie zullen er ko­men? Geen kerkmensen, geen rechtzinnigen of vrijzinnigen, rooms of protestant, maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams" (J.T. Doorenbal, Dingen die haast geschie­den moeten, Bijbellezingen over de Openbaring van Johannes, Utrecht 1984, pag. 201). Het welbehagen van God bepaalt dus wie binnenkomt. Er wordt verteld over een gemeentelid dat enorm worstelde met de vraag of zij wel zou mogen binnengaan. In haar nood bad ze tot God: als mijn naam niet vermeld staat in het boek, zou U die er dan alsnog bij willen schrijven? Ds. J.W. Kersten liet haar toen weten dat dit onmogelijk was: je kunt niet alsnog op die lijst genoteerd worden, zoals ook iemands naam nooit uit het boek geschrapt kan worden (Openba­ring 3:5). Maar zo verzekerde hij de aangevochten gelovige heel pastoraal: als iemand zo met deze vraag worstelt hoeft die er echt niet aan te twijfelen of z=n naam staat geschreven in het boek van het leven van het Lam! 

  Ook al mag deze wetenschap tot bemoediging zijn, toch blijft staan de impliciete opdracht alles wat verontreinigt te mijden en geen leugens te baat te nemen. In dat verband memoreren we wat Buskes schreef naar aanleiding van onze tekst: "Wanneer er iets is - en dit is de ware zedelijke consequentie, die uit de toekomst van Christus getrokken moet worden - dat ons dringt tot deelnemen aan de strijd en het lijden van deze tijd en deze wereld, dan is het dit uitzicht. Zoo wordt de toekomst de kracht van het heden. (...) Hoe zullen we eenmaal over­winnen en d= eerkroon dragen, wanneer wij nu niet strijden? Hoe dieper wij inleven in den nood en het lijden van dezen tegenwoordige tijd, des te sterker straalt over ons het licht van de heerlijkheid die komt, des te dichter zijn we bij het Koninkrijk" (J.J. Buskes jr., De laatste strijd, Baarn 19412, pag. 249).

 

LITURGISCHE SUGGESTIES

Schriftlezingen: Jesaja 60: 1-22 en Openbaring 21: 1-5 en 22-27.

Liederen: Het beste kan de keuze gemaakt worden uit 'het Liedboek van Israël' uit de oude berijming Psalm 72: 6 en 8; 86: 5 en 6; 89: 1 en 8 en uit de nieuwe berijming: Psalm 33: 1en 8; 68: 9 en 11 en 87. Uit het Liedboek voor de kerken: Gezang 28, 231, 263, 264, 265, 279, 280, 294, 297, 304 en 308.

 
 

Doorzoek de pagina

Bezoekers

Artikelweergaven (hits) : 302617