• Decrease font size
  • Reset font size to default
  • Increase font size

Nieuws

20-08-2016: Link naar brief over ziekte

Tips!

Gebruik het email icoon voor een printervriendelijke versie!
Probeer ook eens de zoekmachine rechts bovenin! Ongetwijfeld bespaart dat veel moeite bij het zoeken.
Openbaring 22: 2b PDF Afdrukken E-mail
Geschreven door G. Hette Abma   
vrijdag 01 augustus 2003 08:08

TEKST: OPENBARING 22: 2b   

 

TEKSTKEUS

De grote gebeurtenissen in de toekomst des Heren werpen hun lichtstralen vooruit: eens zullen de bladeren van de boom des levens tot genezing zijn van de volkeren! Bij de uitleg van deze woorden stuiten we op de lastige vraag of het allemaal wel klopt: op de nieuwe aarde zullen toch geen ziekten meer zijn? Het loont ongetwijfeld met deze kwestie bezig te zijn, wanneer we proberen niet verstrikt te raken in rationalistische overwegingen. De Openbaring is niet bedoeld om hersengymnastiek mee te beoefenen, maar als balsem voor de harten van de verdrukte volgelingen van Jezus.

 

EXEGETISCHE OPMERKINGEN

"Zoo worden de beweeglijkheid des tijds en de vrucht der eeuwigheid gehuwd in deze twee: den Godsstroom en de levensboom". Met deze woorden begint A.H. de Hartog zijn toelichting op de Openbaring van Johannes (Amsterdam 1935, pag. 307). In zijn visioen keerde de apostel weer helemaal terug naar het begin. Zo zien we hoe we in de eindtijd weer zullen terugkeren naar de oertijd. In het nieuwe Jeruzalem wordt het verloren paradijs hervonden.

  Vanwege de overtreding van het gebod van de Schepper was de boom van het leven onbereikbaar geworden. De toegang tot de hof van Eden was immers versperd door een cherub met een vlammend lemmet. In de voleinding blijkt dat gelukkig veranderd te zijn, wanneer de entree tot het paradijs opeens ontsloten is. Het moet Johannes herkenning gegeven hebben: een rivier stroomde immers door de hof en in het midden stond de boom van het leven (Genesis 2: 9vv). Nog meer heeft het door zijn apocalyptische gedachten gespeeld wat hij ooit gelezen moet hebben in profetie van Ezechiël (47: 1vv). In die passage wordt er verslag van gedaan hoe iemand de profeet bracht naar de ingang van de herbouwde tempel. Hij zag daar water van onder de dorpel wegstromen in oostelijke richting. Gaandeweg zwol het kleine beekje aan tot een grote stroom. In de stad van Gods toekomst is echter geen tempel meer, want héél nieuw Jeruzalem is een tempel (Openbaring 21:24). Daarom liet de engel aan Johannes een rivier zien met kristal helder water, dat voortkwam uit de troon van God en het Lam (Openbaring 22: 1v.). Beelden voor nieuw Jeruzalem zijn ontleend aan Babel. De stad is gebouwd als een piramide met allemaal trappen. Daar boven troont God en het Lam. Als uit de troon een stroom van kristalhelder water vloeit dan wijst dit erop dat God de bron van het leven is. Voor ons in een waterrijk land is het moeilijk in te denken van welke onschatbare waarde water is. Het hoort dan ook bij de verwachting van de eindtijd dat er een overvloed van water zal zijn (Jesaja 43: 19v; 49:10; Jeremia 13; Joël 3: 18; Zacharia 14:8). Naar de belofte zullen de beken van de rivier de stad Gods, de heilige stad van de Allerhoogste, verblijden (Psalm 46: 5). Nu krijgen die beloften in het visioen van Johannes hun uiteindelijke vervulling.  De profeet ziet hoe een aanzwellende rivier ontspringt uit de troon van God en het Lam. Op die manier wordt bovendien ook aangeduid wat de oneindige betekenis is van de genade van God, die door Christus verworven is. Als we uiteindelijk het overwinnend Lam zien op de troon met de God, dan mag de herinnering bewaard blijven aan het Lam dat eerst geslacht werd om de zonden te verzoenen. Aan het eind van het boek blijkt hoe het doel van God is bereikt. Nu gaat het niet langer om een troon in de hemel, maar op de nieuwe aarde. Niet langer duiden de donder en de bliksem op het gericht (Openbaring 4: 5), maar stroomt het kristalheldere water uit de troon als teken van zegen.


  Nog meer wordt het beeld van het oude Babel opgeroepen door hetgeen Johannes te zien krijgt. Daar was namelijk een rivier (namelijk de Eufraat) die dwars door de stad stroomde en als hoofdstraat daarnaast was een gouden processieweg. Als hij aan weerszijden van de rivier een boom des levens ziet, dan speelt daar de herinnering aan het paradijs een rol, maar tegelijk is het vooral ook de beeldende taal van de profetie van Ezechiël die hem is bijgebleven. Als de profeet langs de oever loopt, ziet hij aan deze en gene zijde talloze bomen staan (Ezechiël 47: 7). In de Openbaring staat xulon zoès in het enkelvoud dus, als een herinnering aan Genesis 2. In de Statenvertaling lezen we over de boom des levens.  Dit is niet correct, want in het Grieks ontbreekt het lidwoord. Het is wel mogelijk collectief te vertalen: geboomte des levens, zoals bijvoorbeeld in de Nieuwe Vertaling gedaan wordt. Het blijft toch lastig een duidelijke voorstelling te maken van wat bedoeld wordt. Waarom zouden we ervan moeten uitgaan dat er slechts aan iedere kant één boom des levens heeft gestaan? Ezechiël spreekt over meerdere bomen, derhalve is het niet vreemd aan te nemen dat Johannes aan beide kanten van de rivier een voor ieder gemakkelijk toegankelijk park vol met bomen gezien heeft! Is de vervulling niet altijd geweldiger dan we ooit hadden verondersteld?

  Hoe de bomen enorme kracht uit de stroom van levend water ontvangen blijkt wel uit het feit, dat er iedere maand vruchten gedragen worden. Wat een overvloed! Het hele jaar door is er vrucht. De oogst is niet langer aan een bepaald seizoen gebonden. Ook Ezechiël weet van een dergelijke overvloedige zegen. Er werd hem verteld, dat er allerlei soorten vruchtbomen aan weerszijden van de rivier zullen groeien. De bladeren zullen niet afvallen. Er zullen altijd vruchten aan zitten. Iedere maand zal er een nieuwe oogst zijn. Het geheim is gelegen in het feit dat de bomen voortdurend water krijgen vanuit het heiligdom. Zo zullen de vruchten tot voedsel zijn en de bladeren medicinale kracht bezitten (Ezechiël  47: 12).

  Het opmerkelijke is dat het accent hier bij Johannes niet zo zeer ligt op het consumeren van de vrucht van de levensboom (zoals in hoofdstuk 2: 17 en 22: 14 en 19), maar vooral op de geneeskrachtige werking van de bladeren voor de gojim. Toch wordt door deze magnifieke belofte een probleem opgeroepen. Moeilijk kunnen we ons voorstellen dat er in het rijk van de eeuwige heerlijkheid nog mensen zijn die genezing nodig hebben. Het eindoordeel heeft immers plaats gevonden (Openbaring 20: 11-15). Op de nieuwe aarde zijn toch alle tranen van de ogen afgewist en zal geen dood meer zijn. Is het aannemelijk dat er dan nog ziekte zal voorkomen? Heeft Jesaja niet geprofeteerd aangaande het nieuwe Jeruzalem: "En geen inwoner zal zeggen: ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben" (33: 24)? Wellicht kunnen we in de weergave van de tekst in de Statenvertaling een goede aanwijzing vinden: "en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen". Tot in eeuwigheid vormen die bladeren een gedachtenis aan wat in het messiaanse rijk voor helend effect mocht zijn. Op dezelfde wijze staat ook het Lam met de slachtwond in zijn zijde als een permanente herinnering aan de verzoening der zonden door zijn bloed. ADoor de bladeren ruist het lied van herstel tot verheerlijking van God en tot zegen voor de mens. Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen. Als garantie bewijs dat nimmer enige kwaal en enige ziekte en enige dood zal deren, wiegelen die geneeskrachtige bladeren aan de boom des levens. Soms plantte men bij nationale vierdagen een boom midden in het dorp. Een boom ter herinnering aan de geboorte of kroning van Wilhelmina bijvoorbeeld. Evenzo staat in alle eeuwigheid de jubileumboom ter ere van de eeuwige Koning, Die doornen tot kroon en kruis tot troon had, maar nu met pracht en praal heerst tot in eeuwigheid (H.G. Abma, De tijd is nabij, Overdenking van de Openbaring, Heerenveen 1998, pag 163v).

  Al wordt het in de tekst niet expliciet vermeld, toch mogen we aannemen dat er geen boom van de kennis van goed en kwaad in de tuinstad staat. Wel lezen we: geen banvloek (katathèma) zal er nog tegen wie dan ook zijn (Openbaring 22: 3b). Onmogelijk zal iemand, die kon binnengaan door de altijd geopende poorten van de stad, alsnog vandaar verdreven worden. Geen engel hoeft de wacht te houden met een vlammend zwaard. Geheel uit de macht van de zonde verlost kan niemand meer verleid worden. Wie hier entree heeft gekregen, die heeft allang de goede keus gemaakt. Een ethisch toets zoals bij Adam en Eva werd aangelegd, is dan volstrekt niet meer nodig.


THEOLOGISCHE NOTITIES

Door S. Greijdanus wordt onze tekst symbolisch verstaan. De vruchten van de levensboom verbeelden de heilzame uitwerking van het evangelie. Dit roept direct de vraag op: zal het evangelie dan nog na de oordeelsdag in de eeuwige heerlijkheid verkondigd worden? Het antwoord luidt: het toekomstvisioen wordt in onze tijd al gerealiseerd! Nu reeds daalt Jeruzalem neer uit de hemel. De levensstroom vloeit ook thans uit de troon van God en het Lam. Het geboomte des levens groeit al gedurende vele eeuwen in dit Jeruzalem, de gemeente des Heren. De bladeren zijn tot genezing van hen die tevoren niet tot Gods volk behoorden, van degenen die in zichzelf zondaren en geheel ellendig en verloren zijn (Korte Verklaring, Kampen 19553, pag. 324). Deze 'uitleg' heeft Johannes de Heer zuchtend terzijde gelegd. Het is maar gelukkig dat we de woorden van Johannes nog overhouden, zo geeft hij te kennen. Wat de profetie wèl betekent, weet de man van het Zoeklicht niet te zeggen. "Het lijkt ons echter vast te staan dat hoe dan ook alle volken eenmaal genieten zullen van de levensvolheid die Christus heeft verworvenen op allerlei wijze zal uitvloeien tot alles wat adem heeft" (De komende Koning, Driebergen 1956, pag. 210).

  Het voornaamste bezwaar tegen de spiritualiserende manier van omgang met de tekst zoals Greijdanus dat doet - conform een overigens eeuwenlange traditie - is gelegen in het feit dat daarmee de hele verwachting van de toekomst vervluchtigd. Bovendien verdwijnt door de vervangingstheologie ook het zicht op de eigen plaats van Israël. En tenslotte lijkt het expliciet te gaan om de redding van de ziel, terwijl juist de bladeren van de boom kennelijk in eerste instantie bedoeld waren voor de genezing van het lichaam.

  Wanneer Johannes de Heer aarzelt bij het duiden van de profetie aangaande de bladeren die waren tot genezing van de volken, dan is dat goed te begrijpen. We kunnen toch moeilijk aannemen, dat er op de nieuwe aarde nog ziekten bestreden moeten worden. Volgens R.H. Bremmer spreekt God in zijn openbaring perspectivisch. Op het einde wordt het als het ware samengetrokken wat in feite reeds door heel de periode van het nieuwe verbond plaats vindt. Net als in het voorgaande hoofdstuk het binnenbrengen van de heerlijkheid en eer der volken in de Godsstad. Ook dit geschiedde immers in de loop der geschiedenis, maar werd beschreven als een resultaat van de eeuwigheid (Visioenen op Patmos, pag. 131). Naar mijn overtuiging moeten we dergelijke passages retrospectief lezen: in de uiteindelijke heerlijkheid wordt de herinnering bewaard aan wat in de messiaanse tijd heeft plaats gevonden. Wanneer Miskotte enkele woorden wijdt aan de bladeren tot genezing van de volken, dan gaat het volgens hem om de periode van de verkwikking. Als de beloofde tijden van de verademing aangebroken zullen zijn, zoals Petrus dit karakteristiek uitdrukt (Handelingen 3: 19-21). Ook Miskotte denkt dus dat het gaat om de zegen in een duizendjarig vrederijk, waaraan in het rijk der heerlijkheid met dankbaarheid mag worden teruggedacht (Hoofdsom der historie, pag. 458).


  Slechts op ingehouden wijze zullen we over de grote zegeningen van de messiaanse tijd dienen te spreken. Er dreigt altijd het gevaar dat we van het visioen van Johannes een soort science fiction verhaal maken. Toen Papias (begin 2e eeuw) las dat er iedere maand geoogst kan worden van de boom des levens, is hij daarmee onbeschaamd aan de haal gegaan: "De dagen zullen komen, wanneer wijnstokken groeien, die ieder 10.000 ranken hebben en aan elke rank 10.000 twijgen en aan elke twijg 10.000 loten en aan elke loot 10.000 trossen en aan elke tros 10.000 druiven en elke druif zal uitgeperst 25 metreten wijn geven. En wanneer iemand een heilige tros aangeraakt zal hebben, zal een andere tros roepen: "Ik ben beter, neem mij, zegen de Heer door mij!" Zo zal ook een tarwekorrel 10.000 aren voortbrengen en elke aar zal 10.000 graankorrels bevatten en elke korrel zal vijf kilo heldere bloem opleveren. Ook ander vruchten, zaden en planten zullen in over eenstemming hiermee volgen" (A.F.J. Klijn, Apostolische Vaders, deel III, pag. 63). Op een dergelijke manier maakt Papias van het duizendjarige rijk een soort luilekkerland. Geen wonder dat mensen door zulke fantastische  beschouwingen kopschuw gemaakt zijn voor een wat meer concrete invulling van de toe­komstverwachting. Er is echter naar mijn overtuiging geen reden om van de weeromstuit alles maar te gaan te allegoriseren. 

 

HOMILETISCHE AANWIJZINGEN

Vanwege de ingewikkelde exegetische en hermeneutische kwesties bij het lezen van profeti­sche en apocalyptische teksten geven veel kerkmensen als het over de toekomstverwachting gaat te kennen: we zullen het wel zien! Het is de uitdaging voor allen die het Woord verkondi­gen duidelijk te laten worden wat het effect kan zijn van de bezinning op de vaak lastige vragen. Wat heeft het ons te zeggen als Johannes spreekt over de bladeren die zijn tot genezing der heidenen?

  Om te beginnen is het belangrijk ons te realiseren welke universele strekking het heil in de Apocalyps krijgt. Er is genezing voor alle volken. In het laatste boek van de bijbel wordt een hoop betuigt die de hele schepping omvat (Matthias Rissi, Die Zukunft der Welt, Basel zj, S. 97). In diezelfde geest heeft ook dr. K.J. Kraan zich daarover uitgesproken: Als Jezus in Zijn helend werk de gemeente inschakelt en zegent, gaat het hem in die gemeente om Zijn wereld. >De genezing der volken= is het uiteindelijk woord, dat in de Bijbel over Zijn genezing wordt gesproken (Openbaring 22:2)@ (Opdat u genezing ontvangt, Handboek voor de Dienst der genezing, Hoornaar zj, pag. 257). Zo wordt tevens het perspectief geboden voor alle aposto­laat. Het zegenrijk effect van alle zendingswerk is gewaarborgd: de volken mogen deel hebben aan het heil dat de HERE de zijnen geeft.

  Bij de genezing der gojim kan wellicht ook gedacht worden aan het wegnemen van de diepingekankerde haat tegen het uitverkoren volk en ook de God van Israël. Maar vooral zal in de tekst gedoeld worden op de genezing van allerlei ziekten en kwalen. Het evangelie is niet alleen de boodschap van vergeving, maar ook van genezing en bevrijding. Zo heeft Jezus zelf de daad van genezing van zieken gevoegd bij het woord van de evangelieverkondiging. De apostelen zijn in dat voetspoor verder gegaan. Is het dan niet geweldig om te kunnen zeggen dat de bladeren van het geboomte des levens dienst zullen doen om alle ziekten te genezen?

  Welke overtuiging de prediker zelf heeft, hij zal voor zijn gemeente niet mogen verzwijgen hoe er door de loop der eeuwen altijd weer gelovigen geweest zijn die leefden met de verwach­ting van een vrederijk. Zou Johannes daarop niet gedoeld kunnen hebben toen hij wees op de bladeren tot genezing der volken? Is het niet een magnifieke gedachte, dat de heilige stad in de messiaanse tijd zal fungeren als een medisch centrum voor de gojim?


  Zo'n wenkend beeld van de toekomst kan ons ook nu in onze situatie enorm bemoedigen! Dit kan een mooie gelegenheid bieden om aandacht te schenken aan de betekenis van de dienst der genezing. Teveel is dit immers - zeker ook in de calvinistische traditie - gedurende vele eeuwen een blinde vlek geweest in het zicht op Gods heilshandelen. Zodra er in een preek enkele woorden aan besteed worden dienen we zorgvuldig om te gaan met de vragen die onvermijde­lijk zullen opkomen. Waarom is er niet voor ieder genezing op gebed? Is het geloof niet sterk genoeg geweest? Hoe is het verband tussen zonde en ziekte? Vooral ook wanneer de tekst wordt aangehaald uit Jesaja: Geen inwoner zal zeggen: ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben (33:24). Op deze punten is een pastorale benadering is geboden. AFrustraties over gebrek aan resultaat kunnen zeker niet worden voorkomen, als we de dienst der genezing niet beperken tot de zegen, die ze aan individuele gemeenteleden kan en mag bieden, maar haar in verband brengen met de >genezing der volke­ren= (Openbaring 22:2). Johann Christoph Blumhardt heeft deze kosmische perspectieven zeer ernstig genomen, en daardoor krijgt ook zijn aanvechting kosmische allure. AWie iets wil doen, die lere voor miljoenen een hart te hebben, zoals Jezus het heeft, die niet slechts schijnbaar een verzoening door zijn bloed voor de ganse wereld wilde teweeg teweeg brengen@. Ondanks de zegen op het werk in Bad Boll was er toch besef van groot tekort en reusachtig gebrek. ADaardoor groeide in mij de drang, om een nieuwe uitstorting van Gods Geest te bidden, opdat daardoor de Heer weer tot Zijn volle eer moge komen in de Christenheid en het Rijk Gods tot zijn voleinding worde gebracht@ (K.J. Kraan, Genezing en bevrijding, deel 2, Kampen 1984, pag. 90v en passim).

  Door de prediking zal een enorme steun gegeven kunnen worden als er gewezen wordt op de mogelijkheid te bidden om nu reeds van die geneeskrachtige bladeren te kunnen te profiteren.  Een mooi voorbeeld trof me in De Christenreis naar de eeuwigheid van John Bunyan. Nadat de hoofdpersoon uit die schitterende allegorie gestreden had met Apolyon en uitgeput en gewond aan de kant van de weg lag, werden door een hand uit de hemel bladeren van de boom des levens op zijn wonden gelegd en zo kreeg hij genezing.

  Met de afwijzing van de vergeestelijking van de tekst wil niet gezegd zijn dat er geen geeste­lijke strekking mag worden aangegeven. In de Bijbel zelf zijn er genoeg voorbeelden van te vinden, dat er gesproken wordt over geestelijke blindheid, doofheid of verlamming. Een weerklank daarvan ­vinden we in de woorden van de Psalmdichter, dat de blinde heiden eens uw heil erken (Psalm 67:1, oude berijming). Het is niet verkeerd wanneer de boodschap van de verlossing zo voor de eigen spirituele behoeften in kleine munten wordt uitgedeeld, als op die manier maar niet het grote kapitaal wordt verspeeld.

 

LITURGISCHE SUGGESTIES

Schriftlezingen: Ezechiël 47: 1-12 en Openbaring 22: 1-5.

Liederen: Psalm 30, 36, 46, 67, 73, 103. Uit het Liedboek voor de kerken: Gezang 114, 127, 262, 297, 365, 460, 463
 

Doorzoek de pagina

Bezoekers

Artikelweergaven (hits) : 283072