• Decrease font size
  • Reset font size to default
  • Increase font size

Nieuws

20-08-2016: Link naar brief over ziekte

Tips!

Gebruik het email icoon voor een printervriendelijke versie!
Probeer ook eens de zoekmachine rechts bovenin! Ongetwijfeld bespaart dat veel moeite bij het zoeken.
Openbaring 20: 1 - 6 PDF Afdrukken E-mail
Geschreven door G. Hette Abma   
donderdag 03 juli 2003 08:09
Openbaring 20: 1-6

 

.... en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren

 

 

TEKSTKEUS

 

Wie van plan is te preken over het twintigste hoofdstuk van de Openbaring, hoeft er beslist niet bang voor te zijn dat een ander reeds het gras voor zijn voeten heeft weggemaaid. Wordt er al zeldzaam weinig gepreekt over het laatste boek van de bijbel, voor zover ik heb kunnen nagaan wordt op het duizendjarig rijk van de komende Messias al helemaal niet vaak de aandacht gevestigd. Toch blijken er wel veel gemeenteleden te zijn, die ernaar verlangen om daar eens wat meer over te horen. Wanneer we de sektarische belangstelling als een onbetaalde rekening van de kerk moeten zien, wordt het dan ook niet hoog tijd om een oeroude schuld eindelijk eens te vereffenen? Misschien is het een mooie aanleiding dit te doen met het oog op 'het komende millennium'!

 

EXEGETISCHE OPMERKINGEN

 

Ook al maakt Johannes veel gebruik van recapitulatie, toch mag een zekere chronologie in hetgeen hij beschrijft niet uitgesloten worden. Met deze opmerking zou ik direct al een belang­rijke exegetische knoop willen doorhakken. Bij het lezen van Openbaring 20 moeten we ons realiseren, dat de indeling in hoofdstukken monnikenwerk is geweest. Helaas zullen we tot de slotsom komen, dat daarbij vaak de leiding van de heilige Geest werd gemist: ten onrechte is een groot hiaat aangebracht tussen het slot van hoofdstuk 19 en het begin van hoofdstuk 20 (H.G. Abma, De tijd is nabij, Overdenking van de Openbaring, Heerenveen 1998, pag. 125). Na de verschijning van de Messias (Openb. 19:­11-16) en de overwinning op het beest en de pseudo-profeet (Openb. 19:17-21), volgt het visioen van het duizendjarig rijk (Openb. 20).

De balling op Patmos zag een engel uit de hemel neerdalen. Deze niet nader aangeduide figuur blijkt de uitrusting van een cipier te hebben: in zijn ene hand draagt hij de sleutel van de abyssos (=peilloze diepte onder de aarde, gevangenis van de boze geesten, Luk.8:31; ook de plaats van penitentie waar de veroordeelden naartoe gaan) en op de andere draagt  hij een zware ketting, die afhangt naar weerszijden. Heel realistisch wordt op deze manier in beeld gebracht welke volmacht hij van God gekregen heeft. Wie ademt in de geest van de joodse apocalyptiek kan dit het beste meemaken (Apocalyps van Henoch 18 en 21 en Apocalyps van Baruch 40). Alles wordt in symbolische taal onder woorden gebracht, maar is uiterst reëel.

Onverhoeds pakte deze engel de draak beet. Zoals bij een arrestatie gebruikelijk is, wordt de identiteit van de bandiet precies vastgesteld. Met de aanduiding als oude slang wordt herinnerd aan zijn gemene verleidende tactiek, die hij reeds in het paradijs toepaste. Verder kunnen we hem kennen als diabolos (= chaos-schepper, verwarringschopper) en satanas (= hinderaar, dwarsligger). Nadat de Verlosser tot hoger heerlijkheid was bevorderd, werd de grote draak de hemel uitgeworpen. Meteen begon deze de Messiaanse gemeente te vervolgen (Openb. 12:9). Bij de parousia wordt duidelijk Wie uiteindelijk de triomf behaalt. Tevens zal dan blijken hoe de verdrukte gemeente in de glorie van de Messias mag delen.

Johannes krijgt te zien dat de engel voor een periode van duizend jaar de satan met de ketting vastbindt en in de afgrond werpt. De onderaardse kerker wordt als een rioolput keurig met een deksel afgesloten en bovendien verzegeld. Gedurende duizend jaar wordt de oude slang einde­lijk op non-actief gesteld. Hij zal al die tijd de volken niet meer kunnen verleiden. De mensen zullen alleen nog kunnen zondigen voor zover hun eigen zondige hart hen dit ingeeft. Vanuit het hoofdkwartier van satan worden ze in ieder geval niet meer bestookt. Na die zegenrijke tijd zal de duivel nog even de vrije hand krijgen. Daarover worden we nader geïnformeerd: uitein­delijk zal hij definitief worden uitgeschakeld in de poel van vuur en sulfer (Openb. 20:7-10).

Om de aandacht extra te prikkelen geeft Johannes op een speciale manier informatie over wat hij verder heeft gezien. Allereerst spreekt hij over tronen en dan welke functie degenen die daarop zaten precies hadden: hen werd namelijk de be­voegdheid gegeven om te oordelen (cf. Matth. 18: 28). Vervolgens blijkt dat het hierbij gaat om de martelaren. Zij zijn weer tot leven gewekt en mogen met de Messias gedurende duizend jaar het koninklijke bestuur uitoefenen. Met deze wijze van verslaggeving wordt een beslissend accent gelegd op wat de fundamentele betekenis vormt bij het visioen van het duizendjarig rijk: wie de naam van Jezus hebben beleden en dit met de dood hebben moeten bekopen, die zullen uiteindelijk gerehabiliteerd worden. Al is de context heel anders, toch vormt dit ook de teneur van Daniël 7: het tot dusver miskende en onderdrukte volk van God zal samen met de Messias koninklijke heerlijkheid ontvangen.

Wie zullen in die toekomstige glorie mogen delen? Degenen die onthoofd waren om de getui­genis van Jezus. En dan wordt een tweede groep genoemd of mogelijk wordt er een nadere bepaling van de eerstgenoemden gegeven: die het beest en diens beeld niet aanbeden hebben en het teken niet aan hun voorhoofd of hand ontvangen hebben (cf. Openb. 13:15-18).

Over de locatie van de tronen is verschil van inzicht bij de exegeten. Het lijkt dat ieder zich door zijn eigen vooropgezette mening laat leiden. Toch zijn er objectieve aanwijzingen. Wanneer Jezus de boekrol van de geschiedenis uit de rechterhand van God genomen heeft, wordt er een nieuw lied gezongen: Gij hebt ons gemaakt tot koningen en priesters en wij zullen als koningen heersen op de aarde (Openb. 5:10). Me dunkt dan zullen de tronen niet in de hemel staan. Maar toch wordt deze visie wel dikwijls naar voren ge­bracht. Dit hangt samen met het spreken over de zielen en de uitleg van het weder levend worden. Sinds Augustinus wordt hier een allegorische exegese van gegeven. Het zou gaan om een opwekking uit de geestelijke dood en niet om de opstanding in de eigenlijke zin van het woord. Er is sprake van zielen, die lichamen missen (S. Greydanus, Openbaring des Heeren aan Johannes, Kampen 1930). Maar volgens Berkouwer blijkt nergens uit dat het zou gaan om een dichotomische onderscheiding (Wederkomst II, Kampen 1963, pag. 88). Ze komen weer compleet tot leven. De ziel wordt verenigd met een verheerlijkt lichaam, dat gelijkvormig is aan dat van de Here Jezus.  Wij zijn trouwens ook gewend te spreken over een gemeente met zoveel 'zielen' en dan denken we toch gewoon aan mensen van vlees en bloed! In de bijbel wordt eenzelfde taalgebruik gehanteerd: acht zielen werden behouden in de ark (1 Petrus 3:20). Daarbij werd niet gedacht aan de redding in de hemelse  gelukzaligheid.

Opmerkelijk is bovendien de mededeling, dat de overige doden niet weder levend werden. Dit zal eerst gebeuren als de duizend jaren geëindigd zijn. Een dergelijke voorstelling ­stemt niet overeen met het algemeen eigenlijk niet betwijfeld geloof van orthodoxe christenen in een gelijktijdige opstanding van de godzalige en de goddeloze mensen. In het boek Daniël krijgen we daarvan een preludium te horen (12:2). Wanneer we ons oor goed te luisteren leggen bij de apostelen en evangelisten horen we hen over een >uitopstanding= uit de doden spreken (exana­stasis ek nekroon, Fil. 3:11).

Er wordt door Johannes veelbetekenend over de eerste opstanding gesproken. Als die op een geestelijke wijze dient te worden opgevat, waarom zouden we dan moeten geloven dat de tweede opstanding letterlijk dient genomen te worden? Opnieuw blijkt hier weer hoe allegori­sche uitleg altijd leidt tot willekeur. In 1 Corinthe 15 waarschuwt  Paulus tegen een spiritualis­tische opvatting van de opstanding der doden.

Met pastoraal getoonzette woorden vat Johannes de kern nogmaals samen: Zalig (gelukkig in de hoogste graad) en heilig (geheel aan God toegewijd) is degene, die deel heeft aan de eerste opstanding. Dit hoogste geluk blijkt allereerst daaruit dat de tweede dood (waardoor men absoluut van God gescheiden wordt) geen macht over hem heeft. Wie deel heeft aan de eerste opstanding, die hoeft niet te vrezen in het gericht voor de witte troon van God naar de poel van vuur verwezen te worden (20: 14). Maar vervolgens zullen ze priesters van God en de Messias zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen gedurende duizend jaar. Als er gezegd wordt dat hen het oordeel werd gegeven en dat zij met de Messias zullen regeren, dan moeten we bedenken dat dit in Hebreeuwse taal synoniem is. Van een koning wordt verwacht dat hij door zijn beslissingen recht zal verschaffen aan de verdrukten.

Onze tekstwoorden blijken met opzet twee keer herhaald te worden (20: 4 en 6). Het regeren met de komende Verlosser is het belangrijkste wat uit het visioen geleerd kan worden: Eens zal het Messiaanse rijk op aarde doorbreken! Op dit punt is er een opvallende overeenkomst met wat binnen het jodendom geleerd wordt: eenmaal zal de langverwachte Koning met de zijnen vanuit Jeruzalem over de volken regeren.

 

THEOLOGISCHE NOTITIES

 

Gedurende de eerste eeuwen van de geschiedenis der kerk leefde bij de gelovigen vrijwel unaniem de overtuiging, dat er na de parousia van de Here Jezus een vrederijk zal komen. Eerst in de derde eeuw werd verzet aangetekend tegen de verwachting van een komend millennium. Clemens van Alexandrië en vooral zijn leerling Origenes hebben onder invloed van de platoni­sche filosofie een zinnebeeldige uitleg van de betreffende teksten gegeven. Over de hoop op een vrederijk liet Origenes zich laatdunkend uit: >dwaze fabels, zotte verzinsels en slechte dogmata=.

Ten gevolge van de veranderde politieke constellatie onder Constantijn de Grote in de vierde eeuw toen het christendom tot staatsgodsdienst verheven werd, is de verwachting van een Messiaanse toekomst steeds meer gaan tanen. De kerkhistoricus Eusebius wordt lyrisch als hij met het oog de gelukkige omstandigheden van zijn tijd het uitjubelt dat het duizendjarig rijk is aangebroken. Als leraar der kerk heeft Augustinus grote invloed uitgeoefend. Zijn grondstelling was dat de katholieke kerk het rijk van God op aarde is. De tronen zijn voor hem de bisschops­zetels. Omdat de satan gebonden werd, was er geen vervolging meer en kon het evangelie overal verbreid worden. Zelf had Augustinus nog een levend besef van de eindtijd, maar na hem is de eschatologische verwachting  erg verzwakt.

Wat het zicht op de toekomst aangaat zijn de reformatoren eigenlijk helemaal in de rooms-katholieke traditie blijven staan. Ongetwijfeld heeft daarin de huiver voor het weerzinwekkende optreden van de anabaptisten een grote rol gespeeld. Het drama van de oprichting van het koninkrijk Sion te Mün­ster in 1534­/35 heeft hen begrijpelijkerwijs kopschuw gemaakt voor wat de chiliastische profeten verkondigden. Men heeft zich er sindsdien vaak maar al te graag met een Jantje van Leiden van afgemaakt. Johannes Calvijn keurt de pleitbezorgers van de verwach­ting van een duizendjarig rijk geen woord waardig: "Hun verzinsel is te kinderachtig dan dat het weerlegging zou nodig hebben of waardig zijn@ (Institutie III,25,5v). In de Confessio Augustana wordt de verwachting van een duizendjarig rijk afgedaan als judaicas opiniones (joodse voor­stellingen). De Confessio Helvetica Posterior veroordeelt het chiliasme als een judaica somnia (joodse dromerij). Volgens de Anglicaanse Geloofsartikelen zijn het judaica deliramenta (joodse zotteklapperijen). Het is legitiem aan te nemen, dat zij hiermee de karikatuur van het duizendjarig rijk hebben willen verwerpen. De Confessio Belgica zwijgt in artikel 37 geheel over de verwachting van een vrederijk. Aan een dergelijk diplomatiek doodzwijgen kan de voorkeur gegeven worden boven hetgeen in de kanttekeningen bij de Statenvertaling naar voren gebracht wordt. Dit kan moeilijk gekarakteriseerd worden als een verantwoorde exegese.  Intussen moet worden geconcludeerd, dat de reformatorische belijdenisgeschriften - die we hoog mogen waarderen - een echt bijbels perspectief op de toekomst missen.

Binnen de calvinistische traditie kwam steeds verschil van inzicht naar voren. Niet alleen Jean de Labadie, maar ook Jacobus Koelman werd mede om zijn chiliastische overtuiging uit het ambt ontzet. Bij Coccejanen was ruimte voor de verwachting van een duizendjarig rijk, aang­ezien zij vasthielden aan een letterlijke vervulling van de profetie.  Ook bij Voetianen leefde de hoop op een bijzonder ingrijpen van God in de eindtijd. Herman Witsius verwachtte een massale bekering van de Joden en een heilsstaat op aarde. Wilhelmus à Brakel leefde met het vooruitzicht op een gezegende staat van de kerk. Met name zouden de Joden dan mogen delen in het heil. Hij verwierp echter de voorstelling dat Christus bij de aanvang van het duizendjarig rijk op aarde zou terugkomen.­­ Gisbertus Voetius was de overtuiging toegedaan, dat de Joden onherroepelijk verworpen waren. Volgens hem zouden ze ook nooit meer naar hun eigen land terugkeren!

Figuren uit de kring van het Réveil, zoals Willem Bilderdijk, Isaäc da Costa en Abraham Capadose, leefden in de verwachting van een komend vrederijk. Ook vertegenwoordigers van de ethische theologie, zoals J.H. Gunning Sr, J.J. van Oosterzee, kenden een dergelijke hoop op de toekomst des Heren. In onze eeuw hebben Johan de Heer en de Maranathabeweging een heilzame correctie aangebracht op de zwakke eschatologische verwachting binnen de kerken. Zij bleven in het bijbelse spoor in tegenstelling tot de fantastische beschouwingen van sektari­sche groepen.

Vaak wordt erg denigrerend over de chiliasten gesproken. Het is volgens H. Verweij een sektarisch belast woord. Er wordt met het stigmatiserend gebruik van deze term geen recht gedaan aan hen die op grond van een zorgvuldige exegese tot de slotsom komen, dat er na de wederkomst van Christus een duizendjarig rijk zal zijn voorafgaande  aan het laatste oordeel. Onschriftuurlijk chiliasme is de vleselijke opvatting dat het rijk van Christus reeds voor zijn wederkomst gestalte krijgt. Dat was destijds bij de doperse excessen het geval en thans bij hen die in een Messiaans verlangen vrede, gerechtigheid en welzijn proberen te realiseren. Terecht noemt Verweij het merkwaardig en onrechtvaardig, dat zij die hier en nu een messiaans rijk nastreven juist hen die op grond van het Woord dat rijk na de komst van de Messias verwachten als chiliasten bestrijden (De terugkeer van Jezus Christus, Franeker 1978, pag. 226). Uit onze vaderlandse geschiedenis kennen we het mooie voorbeeld, dat een schel­dwoord later als erenaam gedragen werd. Is. da Costa rekent ook de schrijver van het laatste bijbelboek tot deze vaak zo verachte groepering: "Dat de apostel Johannes, in welke nader te bepalen zin dan ook, een wezenlijke chiliast is, dat wil zeggen een duizendjarig Christusrijk leert, is eigenlijk voor gene tegenspraak vatbaar. Daartoe is de letter zelve te duidelijk, te vaak herhaald, te ruim ontwikkeld".

In menige verklaring van het laatste boek van de bijbel wordt een bestrijding gegeven van de realistische verwachting van een toekomstig rijk van vrede. Daarbij is het opvallend hoe daarbij de vervangingstheorie van doorslaggevende betekenis blijkt te zijn!

D.J. Baarslag Dzn heeft zich heel kras over het verzet tegen het chiliasme uitgelaten: Hoe zatter-van-eigendunk een kerk is geweest, hoe ook van naam, hoe minder ze heeft willen weten van Christus' duizendjarig rijk op aarde in de toekomst en hoe ongegeneerder ze zichzelf als zodanig voorbarig heeft geproclameerd. Hij citeert ook I.T. Beck: Wie zo blind is, dat hij in dat wat de gemeente van Christus reeds op de weg der historie heeft afgelegd, het duizendjarig rijk wil herkennen, die is van de staar niet genezen (De open hemelpoort, Baarn z.j., pag. 338vv).

Het is daarom verheugend dat er  de laatste decennia ook heel andere geluiden te horen zijn. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog schreef J.J. Buskes­: Het is ons niet mogelijk te geloven, dat de duivel in onze dagen gebonden is. Wij achten dit in volstrekte strijd met wat wij zien en ervaren. (...) Heel deze beschouwing hangt samen met de sedert de bekering van Constantijn begonnen verwereldlijking van kerk en christendom, welke door prof. Heering niet ten onrechte een zondeval wordt genoemd. (...) De andere beschouwing is deze: Men kan het getal duizend letterlijk of niet letterlijk nemen, maar er komt een duizendjarig rijk. Het is er nog niet. De duivel wordt eerst gebonden, nadat het oordeel over Babel, antichrist en valse profeet voltrokken is. Dan zullen Gods kinderen, die gestorven zijn, opstaan en met Christus regeren. De eerste opstanding is dus niet het opgenomen worden in de hemel, maar een werkelijke opstanding in de toekomst. Op aarde komt er een vrederijk, het duizendjarig rijk, nog niet de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, maar wel de voorbereiding daarvan. Het is het sabbatsjaar der geschiedenis, waarop de eeuwige sabbat volgt (De laatste strijd, Baarn 1941­, pag. 233v).

Ook K.H. Miskotte schreef behartigenswaardige dingen: Waarschijnlijk zal men mede aan de waardering van de Apocalyps wel ongeveer kunnen afmeten, of en in hoe ver de kerk zich verwijderd heeft van het Oude Testament en van de Messiaanse verwachting. De leer van het duizendjarig rijk is met name zo'n toetssteen. (...) Is het  niet merkwaardig, dat, terwijl de gemeente-onder-het-kruis altijd heeft vastgehouden aan de verwachting van het duizendjarig rijk, de kerk ná Constantijn de Grote, toen de kerk staatskerk werd, die gedachte bijna geheel heeft losgelaten? ­ (...) Wij zijn overtuigd dat de chiliasten in ogenschijnlijk abstracte debatten een geweldige hoge zaak verdedigen, al gebeurt het soms met ondoelmatige middelen. Zij achten, dat de geschiedenis een voleinding moet vinden in de geschiedenis zèlf, dat het niet voldoende is en Gode (volgens zijn eigen belofte) onwaardig, dat er een boven-historische oplossing verschijnt; de geschiedenis zelve moet rijpen tot een positief einde, om de heerlijk­heid des Heren zo breed te openbaren als de grondvorm dezer bedeling toelaat.  (Hoofdsom der Historie, Nijkerk 1944, pag. 412vv).

Het verdient ook onze aandacht te letten op de slotsom van H. Berkhof betreffende de verwach­ting van een duizendjarig rijk: "Veel blijft duister in Openbaring 20. Dat hangt samen met de duisternis die over het gehele boek ligt. Maar deze minimum-conclusie is toch zeker gerecht­vaardigd: Johannes verwacht, dat na de antichrist een langdurige en gelukkige periode aan­breekt, waarin de grenzen tussen hemel en aarde gaan vervloeien, waarin de vertrapten zullen regeren, de lijdende gemeente van Christus publiek gelijk zal krijgen en het herstelde Israël het middelpunt der wereld zal zijn. Daar zal een politieke en sociale orde heersen, waarin de heerschappij van Christus zo sterk wordt uitgedrukt als maar mogelijk is binnen een wereld waaruit zonde, leed en dood nog niet gebannen zijn (Christus de zin der geschiedenis, Nijkerk 1958, pag.147).

 

AANWIJZINGEN VOOR DE PREDIKING

 

We mogen ervan uitgaan dat er in de gemeente een grote interesse voor de Apocalyps bestaat. Het boek heeft een blijvende en zelfs een steeds meer toenemende actualiteit. Wie is er niet in geïnteresseerd wat de toekomst ons zal brengen? Dan ga je toch achterin het Boek lezen hoe het afloopt! Uiteraard zullen we altijd bedacht moeten blijven op een onheilige nieu­wsgierigheid. De beste remedie daartegen is het verlangen te wekken naar het vernemen van het blijde nieuws.

Er bestaat binnen de gemeente verschil van inzicht betreffende het duizendjarig rijk. Dit maakt het extra lastig om te preken over Openbaring 20. We zullen rekening moeten houden met de diversiteit van opvattingen. Meer dan ooit zal de verkondiging pastoraal getoonzet dienen te zijn. We moeten ervoor waken dat hierover een felle strijd zou ontbranden. Dat verhoudt zich in geen enkel opzicht met een komend vrederijk! Altijd zullen er mensen zijn die de voorkeur geven aan een andere verklaring. Met dat gegeven zal iedere predikant moeten leren leven. Van beslissende betekenis is het echter of er in de verkondiging aan een andere visie recht gedaan wordt.

Vaak blijken gemeenteleden bij voorbaat al vermoeid te reageren, wanneer gesproken wordt over de verwachting van het duizendjarig rijk. Heel stereotiep brengen ze hun gevoelen onder woorden: Als je werkelijk in de Here Jezus gelooft, dan doet toch al dat andere er niet toe? Nimmer mag het misverstand rijzen, dat door de eschatologische gerichtheid afbreuk gedaan zou worden aan de prediking van kruis en opstanding. Het blijft echter de vraag of een eenzijdi­ge gerichtheid op het evangelie der verzoening wel te verantwoorden is in het licht van Open­baring 22:1­9. Wie zich daarentegen laat verleiden tot de nogal fantastische beschouwingen over het duizendjarig rijk, die mag ter harte nemen wat staat in Openbaring 22:18!

Er is nog een dringend argument te noemen, waarom we juist wel met deze zaken bezig moeten zijn. Als we de Here Jezus in zijn priesterlijke hoedanigheid als onze Verlosser hebben leren kennen, dan zullen we graag meer concreet willen weten aangaande zijn koninklijke glorie in de dag van zijn toekomst. Op die manier wordt bij de gelovigen een levende verwachting gewekt en zullen ze met een hartstochtelijk verlangen roepen: Maranatha! Ja, kom, Here Jezus (Openb. 22:20)!

Ooit stelde Jezus de suggestieve vraag: Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op aarde (Luk.18:8)? Daarbij gaat het er niet om of er na de stormvloed van de secularisatie nog wel iets van de kerk zal overgebleven zijn. Jezus zelf heeft immers de belofte gegeven, dat de poorten van het dodenrijk de gemeente niet zullen overweldigen. De kwestie is evenwel of er volhardend gebeden zal worden om het openbaar worden van de gerechtigheid van God. Het optreden van de weduwe bij de onrechtvaardige rechter wordt als sprekend voorbeeld genoemd. We mogen ons nooit neerleggen bij het schreeuwend onrecht in de wereld. Johannes zag onder het altaar de zielen van de martelaren. Hij hoort ze daar luidkeels roepen: Hoelang wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen (Openb. 6:9v)? Deze vraag wordt binnen de geschiedenis beantwoord. In het duizendjarig rijk neemt de Here revan­che voor zijn verdrukte volgelingen. Leert dit ons niet anders te reageren op het ten hemel schreiende onrecht in de wereld? Dit mag een belangrijk ethisch element in de bediening van het Woord vormen. Maar bovenal zal het een machtige bemoediging vormen voor allen die lijden onder het erbarmelijke leed in de wereld.

Tenslotte kan ook uitdrukking gegeven worden aan een bijbelse hoop op de toekomst voor het eens en voor altijd uitverkoren volk van God. Op dit punt zet L. van Hartingsveld zich in zijn praktische bijbelverklaring helaas af tegen de opvatting van H. Berkhof: "Het herstelde Israël als middelpunt van deze wereld? Dan heeft men de Openbaring van Johannes beslist niet goed gelezen. Daar is Israël uitgerangeerd" (Openbaring, Een praktische bijbelverklaring, Kampen 1984, pag.122). Daarover hoeft naar mijn overtuiging geen enkel misverstand te bestaan en ook zeker geen strijd gevoerd te worden: "want de genadegiften en de roeping van God zijn onbe­rouwelijk" (Rom.11:29).

Als bezwaar wordt vaak geopperd dat in ons tekstgedeelte niets gezegd wordt over de terugkeer van de Joden naar hun land, over het herstel van Jeruzalem, over de herbouw van de tempel en de centrale plaats van Israël in het duizendjarig rijk. W.J. Ouweneel reageert daarop door te stellen: De oudtestamentische profeten hebben vooral Israël op het oog; van de gemeente hadden ze nog geen weet. Johannes hoefde hun profetieën over Israël niet nog eens over te doen (De Openbaring van Jezus Christus, deel I, Vaassen 1988, pag. 130).

 

LITURGISCHE SUGGESTIES

 

Schriftlezingen: Daniël 7, Jesaja 24 of 61, Mattheus 18:27-30; 1 Kor. 15:23-28.

 

Liederen: (Uit de berijming van 1773) Psalm 37: 3 en 9; 72; 96: 4-9; 98: 4; 118: 13 en14; 130: 3,  en 4; 132: 5-12; Gebed des Heren vers 3; (Uit het Liedboek voor de kerken) Gezang 294: 4-6

 

Verschenen in: Het Woord der prediking, deel 3, Voorhoeve - Kampen 2000
 

Doorzoek de pagina

Bezoekers

Artikelweergaven (hits) : 302620