• Decrease font size
  • Reset font size to default
  • Increase font size

Nieuws

20-08-2016: Link naar brief over ziekte

Tips!

Gebruik het email icoon voor een printervriendelijke versie!
Probeer ook eens de zoekmachine rechts bovenin! Ongetwijfeld bespaart dat veel moeite bij het zoeken.
Openbaring 20: 7 - 20 PDF Afdrukken E-mail
Geschreven door G. Hette Abma   
donderdag 03 juli 2003 08:10
Openbaring 20: 7-10

 

En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal satan uit zijn gevangenis ontbonden worden ...

 

TEKSTKEUS

 

Ten einde bepaalde tekstwoorden niet teveel uit hun verband te rukken verdient het vaak aanbeveling om een serie preken te houden over één en hetzelfde bijbelboek. Wat een geweldi­ge troost blijkt er te zijn voor allen die leven in de verwachting van de toekomst des Heren: eens gaan alle beloften van God in vervulling. Aan het einde van de wereldgeschiedenis zal het oordeel over de satan voltrokken worden. Daarover gaat het in onze tekst. Tenslotte wordt alleen de dood als de laatste vijand teniet gedaan en het rijk van de dood opgedoekt. En dan zal God zijn alles en in allen!

 

EXEGETISCHE OPMERKINGEN

 

Velen heeft het bevreemd, dat de machtige tegenstander van God nog eens voor een korte periode vrij spel zal krijgen. Gedurende de duizend jaar van het zegenrijke bestuur van de Messias ontvangt de satan de tijd om zich te bedenken en zich te bekeren. In spanning vragen we ons af: Zal hij iets geleerd hebben? Dus niet! De duivel toont zijn ware aard. Op dat moment blijkt opnieuw hoe radicaal verdorven hij is. Satan moet dan ook voor eeuwig het onderspit delven.

Oude motieven krijgen bij Johannes een heel nieuwe setting in de Apocalyps. Wat Ezechiël (hoofdstuk 38 en 39) gezegd heeft over de aanval van Gog, de huiveringwekkende vorst van Magog, wordt door de balling van Patmos in de grote vrijheid van de Geest vertaald naar de eindtijd. Voor wie verwacht dat de profetie letterlijk zal uitkomen is dat een crime. Het gaat echter om het verstaan van de geest der profetie.

Wanneer de duizend jaar voleind zijn, dan wordt de satan uit zijn onderaardse gevangenis losgelaten. Laat niemand denken dat het om een dramatisch gebeuren gaat alsof de sluwe duivel toch eindelijk kans ziet om geheel onverwacht uit zijn zwaar verzekerde bewaring los te komen. Het is alles in de regie van het goddelijke plan opgenomen: hij moet een korte periode ontbon­den worden (cf. Openb. 20:­3).

Meteen wordt in fervente satanische haat het oude werk hervat: hij zal uitgaan om de volken te verleiden tot afval van God en zich ervoor inzetten de mensen en masse tot de oorlog te verza­melen. Tijdens het regime van de Messias zal de hele aarde vol zijn van de kennis des HEREN. Dat is nog wel even wat anders dan de situatie die wij kennen. Maar ook in die door de shalom gekenmerkte tijd zullen er toch nog doorgewinterd slechte mensen zijn die zich niet echt gewonnen geven aan het zegenrijke bewind van de Messias. Slechts geveinsd hebben ze zich onderworpen (Deut. 33:29; Ps. ­66:3). Er worden dan ook waarschuwingen gericht tot de volken (Jes. 60:12 en Zach.14:17). Toch blijven ze ontevreden morren en mokken. Meer dan ooit komt de navrante realiteit van de zonde naar voren. Op het kritieke moment van de mobilisatie van de tegenstander van God laten ze zich in verleiding brengen een vijfde colonne te vormen in de satanische troepenmacht. Ze bevinden zich op verre afstand van de zetel van de Messiaanse regering te Jeruzalem: in de vier (uit)hoe­ken van de aarde! In Tenach is de rand van de aarde een begrip. Vanuit die afgelegen regionen komt altijd weer de ellende over de wereld. Voor het besef van de antieke mens was daar de dreiging van de alles verzwelgende watermassa. Geluk­kig zal er in de nieuwe schepping geen zee meer zijn (Openb. 21:1). Aan het einde van de aarde moet ook de entré van het dodenrijk gelokaliseerd worden (Psalm 139:8v; Openb. 20:13). Het is dus niet vreemd dat de satan daar zijn leger op de been probeert te brengen.

Met een reminiscentie aan de vroegere misère wordt gesproken over Gog en Ma­gog. Die namen klonken de lezers destijds heel bekend in de oren (Ezec­h. 38:2, 39:1). Gog was een zeer mach­tig vorst, die heerste over het land van Magog aan het Noorden van de toenmalige wereld (Ezech. 38:1­5; 39:2), ergens in de buurt van het Kaukasusgebergte. In de joodse literatuur van die dagen wordt daar veel aandacht aan geschonken (Str.­B. z.Stelle). De rabbijnen gebruikten de namen Gog en Magog als de aanduiding van twee volken. Steeds meer zijn deze namen gaan fungeren als de symbolische typering van angstaanjagende, anti-goddelijke supermachten.

Het betreft weliswaar een absolute minderheid aan de marge van het vrederijk. Toch is het een legerschare die niemand kan tellen: de numerieke sterkte van het leger des onheils is als het zand aan de oever van de zee. Dat is de spreekwoordelijke uitdrukking  voor een ongelooflijk grote menigte, zo weten we uit de belofte van God betreffende de nakomelingen van Abraham.

Over de volle breedte van de bewoonde wereld trekken de troepen van satan op naar de hoogge­legen residentie van het Messiaanse rijk. Ze omsingelen de geliefde stad en de legerplaats der heiligen met evidente bedoelingen: ze willen de regering van de Messias omverwerpen en een ultieme poging ondernemen tot de holocaust van het volk van God. Het is voor de eerste lezers van de Apocalyps niet nodig de naam van de stad te noemen. Zij wisten meteen dat het ging om het centraal in de oekoumene gelegen Jeruzalem, de 'navel' der aarde (Ps. 78:68; 87:2; Jer 11:15; 12:7). In de Apocalyps van Henoch wordt overigens ook al geschreven over de eind­strijd, die zal plaatsvinden bij Jeruzalem als het middelpunt der aarde. Pas later zijn uitleggers gaan denken aan de kerk, die in de plaats van de stad Gods gekomen zou zijn.

Het komt bij het offensief niet tot een armageddon. De legers behoeven niet in de pan gehakt te worden, want heel onverhoeds slaat de vlam in de pan. Voor­dat het werkelijk tot een vijandelijk treffen komt, daalt er regelrecht vanuit de hemel vuur neer en daardoor worden ze vernietigd. Met de demonische troepenmacht wordt dus afgerekend door een direct ingrijpen uit de hemel. Dit ligt geheel in de lijn van de verwachting, die door de profeten gewekt is (Ezech. 38:22; 39:6).

We dienen er vervolgens ook op te letten dat God zelf de vijandige machten verdoet. De Messias treedt dan op de achtergrond (cf. 1 Kor. 15:23-28).

Tenslotte wordt het vonnis geveld over de aartsvijand. De duivel wordt geworpen in de plaats die tevoren voor hem bereid is: de poel van vuur die met sulver wordt brandend gehouden. Dat is de gruwelijke locatie waar het beest en de valse profeet als zijn handlangers reeds voor het aanbreken van het millennium gearriveerd waren (Openb. 19:20). Ze verblijven daar niet voor een bepaalde tijd: ze zullen gepijnigd worden dag en nacht tot in de aeon der aeonen. For ever. Ook Jezus zelf sprak over het eeuwige vuur dat voor de duivel cum suis bereid is (Matth. 25:41). S. Greijdanus merkt hierbij op: De duivel kan niet door stoffelijk vuur geroosterd worden. Daarom behoeven wij bij deze poel van vuur en sulfer ook niet te denken aan ene stoffelijke vuurzee. Het is alles zinnebeeld, om ons de schrikkelijkste kwelling naar geest of naar lichaam of naar beide voor te stellen, op welke wijze zij ook worde aangedaan (De Open­baring des Heeren aan Johannes voor de gemeente uitgelegd, Doesburg 1908, pag.509). Het gaat ongetwijfeld ons voorstellingsvermogen te boven. Zoveel is zeker, dat de macht van de Boze radicaal en definitief gebroken wordt! Tot een eeuwige triomf voor God.

 

THEOLOGISCHE OPMERKINGEN

 

In de pericoop van onze tekst gaat het niet om een secundaire aangelegenheid. De hoofdzaak in de Apocalyps is de triomf van Jezus over al zijn vijanden. Bij de kruisdood werden de demoni­sche machten reeds ontwapend. Maar eens zal de grote ideoloog van het kwaad in de vuurpoel geworpen worden en daarmee worden tegelijk alle tegenstanders van God uitgeschakeld. Dankzij onze unieke Redder mogen wij meer dan overwinnaars zijn. Alleen wie in een levende relatie met de Here Jezus staat, kan zonder overmoedig te worden verklaren: ik ben van de duvel niet bang.

Naïef zullen we ons in het licht van het Woord  niet uitlaten over de vorst van de duisternis. K.H. Kroon geeft een goede karakteristiek: In het woord duivel of satan drukt Israël - veel meer dan andere volken, ook die waaraan de term is ontleend - de weerstand uit, maar niet als gelaten te constateren feit (het 'feit der zonde', waar wij altijd rekening mee zouden moeten houden!), maar de weerstand als iets waarover zij klagen, ja, waartegen zij een aanklacht verheffen (..). Het goede schijnt altijd weer tegen de stroom op te moeten roeien, terwijl het boze een natuur­lijke zwaartekracht heeft, het zet zich vanzelfsprekend door. Israël klaagde daarover, het maakte zich daar kwaad over, het schold de >satan=: dwarsligger, chaotiseur. Maar ook: aanklager, officier van justitie. Want zij gaven de satan niet de schuld. Veeleer hadden zij er een kwaad geweten bij. Zij werden aangeklaagd: het ging niet buiten ze om. Satan was geen alibi (Openba­ring, Verklaring van een bijbelgedeelte, Kampen z.j., pag. 149).

Terwijl ik medio oktober 1998 deze preekschets aan het schrijven was verschenen direct na elkaar twee belangwekkende studies. In het kort wil ik daarop wijzen: T.H. van der Hoeven promoveerde op Het imago van satan, Een cultuur-theologisch onderzoek naar een duivels tegenbeeld (Kampen, 1998). Hij wijst daarin op de verlegenheid in kerk en theologie met de realiteit van de satan. Zowel in de liberale theologie als ook in orthodoxe kring is de demoni­sche realiteit verdrongen. De Verlichting lijkt met de duivel te hebben afgerekend. In zijn dissertatie wil hij motiveren tot een meer militant christendom. Er is een kosmische strijd in de hemelse gewesten. dat geeft een diepte-dimensie aan de keuzes die wij maken. Tegelijk moeten we er alert op zijn dat we bepaalde fenomenen niet demoniseren, zodat mensen daar het slacht­offer van kunnen worden. Volgens Van der Hoeven is het onbarmhartig van het moderne denken te stellen dat je het kwaad toch niet kunt overwinnen. Daarop kan vanuit ons tekst­hoofdstuk een adequate reactie gegeven worden. E.J. Jonker promoveerde op een praktisch-theologische analyse van de voorbereiding van een preek of catechese over de Openbaring van Johannes: Van verstaan naar vertolken (Groningen 1998). In verband met hetgeen in deze preekschets aan de orde komt, wil ik één stelling aanhalen: De openbaring van Johannes is te beschouwen als en profetisch-apocalyptische tekst om voor te lezen met de bedoeling, dat de horende gemeente gaat mee-oordelen in het fundamentele geding tussen God en het kwaad.

Van oudere, nog steeds lezenswaardige geschriften wil ik vooral noemen: Denis de Rougemont, Het aandeel van den  duivel (Amsterdam, 1943) en C.S. Lewis, Brieven uit de hel (Amsterdam, 1947). Tenslotte is het mijns inziens van belang wanneer de aandacht gevestigd wordt op het werk van Johannes Christoph Blumhardt in de negentiende eeuw. Door zijn bediening werden vele mensen bevrijd vanuit een demonische gebondenheid of bezetenheid, dankzij het vertrou­wen op Jezus als Overwinnaar! Grote gebeurtenissen werpen hun schaduw vooruit. In de bevrijding vanuit de knevelende macht van de satan licht de uiteindelijke ondergang van de vorst der duisternis reeds voor ons op. Naar mate de eindtijd voortschrijdt zal ongetwijfeld de behoefte aan deze bemoedigende tekenen toenemen. In ons land heeft Dr. W.C. van Dam een zegenrijke dienst mogen vervullen (Zie ondermeer: Demonen Eruit, in Jezus= Naam! Kampen 1973).

 

AANWIJZINGEN VOOR DE PREDIKING

 

Aan het einde van de bijbel lezen we dat de helemaal aan het begin gegeven moederbelofte in vervulling gaat. Op Golgotha heeft Jezus in principe reeds alles wat duivels is overwonnen (Col. 2:15). Eens zal deze triomf volkomen aan het daglicht van de genade komen.

Mo­eten we ons ervoor excuseren als in de verkondiging de aandacht eens heel specifiek gericht wordt op de uiteindelijke ondergang van de satan? Als een overmachtige aandacht geschonken wordt aan het demonische, dan zullen velen ongetwijfeld met een panische angst bevangen worden. Wanneer we echter nauwelijks aandacht aan de macht van de vorst der duisternis schenken, dan zullen we onvermijdelijk door zijn listige verleiding om de tuin van Eden geleid worden.

De strategie van de duivel is altijd identiek. Uit ons tekstgedeelte valt opeens verhelderend licht op zijn duistere praktijken. Daar kunnen we onze winst mee doen. Karakteristiek voor het optreden van de oude slang is de verleiding. Als machtigste wapen hanteert hij het perfect bewerken van een verandering in ons bewustzijn. Hij maakt bewust gebruik van een verdraaiing van de werkelijkheid om ons te manipuleren en te indoctrineren. In het bijzonder maakt hij gebruik van de middelen van massacommunicatie. Het is belangrijk dat de gemeente geatten­deerd wordt op de eenzijdige informatie over de actualiteit in de krant of in het journaal. Verder probeert de duivel in de soapseries alles te verheerlijken wat God verboden heeft. Voor de meer vormende praatprogramma's worden vaak mensen uitgenodigd, die meesterlijk allerlei taboes kunnen doorbreken. Heeft ieder niet de verantwoordelijkheid om de ander te helpen de verkeer­de geesten te ontmaskeren? ­Tenslotte om jongeren en ouderen te waarschuwen voor het betre­den van het 'domein van de slang' (W.J. Ouweneel). Zonder enige twijfel gaat het om een razend interessant terrein, maar je gaat jezelf toch niet roekeloos aan allerlei gevaren bloot stellen? Voor je het zelf beseft, tuin je in een 'zwart gat'!

Wanneer de satan even wordt losgelaten, mobiliseert hij zijn legermacht tegen de legerplaats der heiligen en de geliefde stad. Nog altijd wordt dan geheel in de lijn van de vervangingstheo­rie direct verondersteld, dat het zou gaan om het offensief tegen de christelijke kerk. Zolang de satan niet voor duizend jaar gebonden is moeten we zeker bedacht te zijn op de listige aanval­len op de gemeente des Heren. In de tekst worden we echter heel letterlijk geattendeerd op de lafhartige aanvallen op het volk van God en vooral ook de stad van de grote Koning. Bidden we als gelovigen uit de volken hartstochtelijk om de shalom van Israël? Het zogenaamde vredes­proces zou wel eens kunnen uitlopen op de strijd om Jeruzalem ­(Zach.14:2)! Het oordeel over de volken die tegen die stad ten strijde zullen trekken zal er niet om liegen (Zach.14:12). Daarom is het een aangelegen zaak om precies te lezen wat er in Gods Woord staat! Met al onze goede christelijke bedoelingen blijken we anders straks onverwacht aan de kant van de Vijand te staan.

Met voldoening mogen we vaststellen dat in de finale van de geschiedenis de satan het onder­spit moet delven in de vuurpoel. Misschien kan er op die manier opeens begrip zijn voor wat de dichters van de wraakpsalmen bezielde. Vanuit de geweldige benauwdheid gaven zij lucht aan het opgekropte verlangen naar het openbaar komen van Gods gerechtigheid. Deze aangevoch­ten gelovigen kunnen ons helpen als we door de geraffineerde leugen van de zogenaamde tolerantie heen prikken.

Bijzondere aandacht kunnen we schenken aan Psalm 2 uit het Liedboek van Israël. Waarom woeden de heidenen en bedenken de volken onzinnige dingen? Dat zal wel altijd een raadsel blijven. In ieder geval kunnen we wel weten, dat de duivel er achter zit. Steeds gaat daarom de venijnige strijd tegen de HERE en tegen zijn Messias. Die in de hemel woont lacht het laatst en lacht daarom ook het best: vuur daalt vanuit de hemel neer om satan en zijn trawanten te vernietigen. Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne en gij op de weg in de richting van Jeruzalem vergaat. Welgelukzalig (driewerf gefeliciteerd) zijn allen, die op hem betrouwen. Misschien geen overbodige luxe nog eens te verduidelijken wat dat vertrouwen op de Here Jezus concreet inhoudt. En ook hoe je eigenlijk aan dat geloof komt.

 

LITURGISCHE SUGGESTIES

 

Schriftlezingen: Ezechiël 38 en 39, 1 Korinthe 15:19-28

 

Liederen: (Uit de berijming van 1773) Psalm 2; 46; 89: 14; 104:18; 139; Gebed des Heren vs 7-9; (Uit het Liedboek voor de kerken:) Psalm 97: 1 en 6; Gez. 233: 1-3, 244, 292, 297, 300, 401.

 

Verschenen in Het Woord der prediking, deel 3, Voorhoeve – Kampen 2000
 

Doorzoek de pagina

Bezoekers

Artikelweergaven (hits) : 283080