• Decrease font size
  • Reset font size to default
  • Increase font size

Nieuws

20-08-2016: Link naar brief over ziekte

Tips!

Gebruik het email icoon voor een printervriendelijke versie!
Probeer ook eens de zoekmachine rechts bovenin! Ongetwijfeld bespaart dat veel moeite bij het zoeken.
J. van der Graaf, De Nederlandse Hervormde Kerk, Belijdend onderweg PDF Afdrukken E-mail
Geschreven door G. Hette Abma   
zaterdag 11 oktober 2003 08:22

De kerkgeschiedenis als leerproces

 

Hette Abma

 

Een halve eeuw van de geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Kerk passeert de revu. Dr. ir. J. van der Graaf heeft zijn werk als algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond in zekere zin kunnen afronden met de publicatie van een volumineus werk.

 

Met een sterke betrokkenheid beschrijft hij het reilen en zeilen van de kerk die hij liefheeft.  Hij doet dat ook met pijn in het hart. Het ligt immers in de lijn van de verwachting dat die oude vader­landse kerk straks zal opgaan in de Protestantse Kerk in Neder­land. Als een geharnast strijder heeft hij zich daar steeds fel tegen verzet. Zo raakte hij in een spagaathouding die vertolkt werd in de bekend geworden orakelspreuk: we kunnen niet mee en we kunnen niet weg. Uiteindelijk werd in de lijn van de beste traditie binnen de Gereformeerde Bond de keuze gemaakt: we kunnen niet weg en daarom gaan we er toch in mee.

 

De Kerkorde van 1951

Ten gevolge van de verwarrende strijd raakten de gelederen van de hervormd-gereformeerde bewe­ging ernstig verdeeld. Het Hervormd Comité kwam tot een onwrikbaar standpunt: we kunnen er niet in mee en gaan daarom niet weg. Men wil hoe dan ook de aloude Hervormde kerk voortzet­ten met behoud van de Kerkorde van 1951. Dit is op zijn zachtst gezegd merkwaardig. Er werd immers een onverkwikkelijke strijd gevoerd bij het streven te komen tot een nieuwe kerkorde. Zo wordt vermeld dat prof. dr. J. Severijn met zekere vrijblijvendheid het Ontwerp Kerkorde van 1947 heeft getekend. Als voorzitter van de Gereformeerde Bond voelt hij aan dat er uit zijn eigen kring bezwaren geuit zullen worden. Hij is echter onder de indruk van de deemoedigheid bij de leden van de Commissie Kerkorde. Op zijn voorstel wordt in de aanbiedingsbrief aan de synode de bede toegevoegd, dat God "dit gebrekkige mensenwerk in Zijn genade gebruiken wil om Zijn kerk op te richten". In de ogen van zijn eigen modaliteit kan het Ontwerp echter geen genade vinden. Door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond wordt namelijk een  breed geschakeerde studiecommissie ingesteld. Na ‘talrijke vergaderingen’ onder voorzitterschap van Severijn zelf wordt ­aan de synode kenbaar gemaakt dat de voorgestelde Kerkorde 'vol­strekt onaanvaardbaar' is (pag. 30v).

 

Uiteindelijk wordt de Kerkorde toch aangenomen. Het is pijnlijk te vernemen dat prof. dr. S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel niets voelt voor een slotbijeenkomst "nu Severijn zijn werk in onze commissie volkomen heeft verloochend". ­­Na de aanvaarding van de kerkorde deed deze namelijk mee met het voeren van een civiel proces tegen de invoering van de kerkor­de, waar hij zelf nota bene aan had meegewerkt. Terecht wordt opgemerkt dat niet zonder cynisme door de synodepreses W.A. Zeydner geschreven werd in een brief aan dr. O. Noordmans: "Het zal aan de historicus, die deze tijd eens zal beschrijven, wel moeilijk vallen de figuur van Severijn helder uit te beelden. Ik zou zijn gezicht wel eens zonder baard willen zien. Zou hij dan nog Severijn zijn?" (pag. 34v). Kennelijk beschouwt Van der Graaf zichzelf niet als de kerkhistoricus die zich dit oordeel moet aanmeten. Desondanks kan naar mijn besef de geschiedenis in de aktuele situatie als leerproces dienen.

 

In gemeenschap met de belijdenis

In deze bespreking van het boek "De Nederlandse Hervormde Kerk, belijdend onderweg" kunnen de destijds geuite bezwaren tegen de nieuwe Kerkorde prima als richtlijn dienen. De keuze voor een belijdende kerk in plaats van een belijdeniskerk is destijds scherp bestreden. Uiteindelijk werd bij de formulering van de tekst in de Kerkorde van 1951 gekozen voor een kerkelijk leven in de gemeenschap met de belijdenis der vaderen in plaats van het bezig zijn in overeenstemming daarmee. Prof. dr. A.A. van Ruler heeft daar een vurig pleidooi voor gehouden. De uitdruk­king in gemeenschap met de belijdenis moeten we volgens hem verstaan als een mystiek-inhoudelijk geladen woord (pag. 45). Of gezegd in het jargon van de Gereformeerde Bond: het is een bevindelijke uitdrukking! Het is mij nooit duidelijk geworden waarom men uit die richting toch verzet daartegen bleef aante­kenen. Volgens Van Ruler mag de kerk niet in het verleden blij­ven steken, maar belijdt zij telkens opnieuw. Maar wringt de schoen niet op dit punt? Later geeft het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond als diepe overtuiging te kennen dat met de gereformeerde belijdenis in principe alles is gezegd. Niet alles maar 'in principe alles' (Positie en beleid, 1974). In een gedachtewis­seling tussen ds. A.A. Spijkerboer en ir. J. van der Graaf die gepubliceerd werd in Woord en Dienst kwam naar voren: mocht er een 'uitbarsting' van nieuw, actueel belijden komen, met bij­voorbeeld het oog gericht op de plaats van Israël in Gods heil­splan, dan hoopt de bond present te zijn. Ds. J.T. Wiersma noemt dit 'theorie'. De Gereformeerde Bond be­trekt namelijk slechts de wacht bij de belijdenis. Praktisch betekent dit dat de Heilige Geest sinds de tijd van de Reforma­tie en de Nadere Reformatie geen nieuwe inzichten heeft gegeven (pag. 265). Zo werd het vuur na aan de schenen gelegd. Volgens mij is hier nog nooit echt op gerea­geerd. Intussen heeft de schrijver wel een prima overzicht van alle pogingen die ondernomen zijn om te komen tot nieuw belij­den sinds de invoering van de kerkorde in 1951. Niet graag wil ik iemand voor de voeten lopen bij de taxatie daarvan. Wel wil ik aanbevelen te lezen wat Van der Graaf erover meldt in zijn bondige verslaggeving. Daaruit blijkt hoe de kerk belijdend onderweg is.

 

Het primaat van het apostolaat

Bewust werd er in de Kerkorde van 1951 voor gekozen het artikel aangaande het apostolaat vooraf te laten gaan aan dat van het belijden. Ds. L. Kievit pleitte uitdrukkelijk voor een verande­ring van de volgorde. Op zich had hij er geen bezwaar tegen aposto­laat en gelijkwaardige facetten te zien. Het principiële ver­schil zit hem erin of men de kerk ziet als instrument van het handelen Gods in de wereld of als 'een woonstede Gods in de Geest'. Prof. dr. K.H. Miskotte reageerde daarop door te zeggen dat de gemeente gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest. Het kerk-worden gaat gelijk op met het apostel worden. Aangezien naar het oordeel van Kievit de confessionele bepaald­heid min of meer wordt opgeofferd aan een zekere apostolaire gerichtheid stemde hij tegen het Ontwerp Kerkorde. Onvermijdelijk dringt zich de vraag aan ons op: heeft de geschiedenis van de kerk hem helaas niet in het gelijk gesteld?

 

Er moet daarbij wel enige nuancering worden aangebracht. In de jaren voorafgaande aan de totstandkoming van de kerkorde beheersten de hoogleraren H. Kraemer en A.A. van Ruler de meningsvorming over het aposto­laat. Daarna had de zendingstheoloog J.C. Hoekendijk grote invloed.  Hij stelde dat de kerk er niet is voor zichzelf, maar een functie is van het apostolaat. Prof. dr. H. Berkhof ging deze visie veel te ver. Op die manier wordt geen recht gedaan aan het eigen geheimenis van de kerk (pag. 115). Toch vindt de visie van Hoekendijk steeds meer weerklank. Gaandeweg neemt veront­rusting binnen de kerk toe. Zo verschijnt op 31 oktober 1967 een Open Brief. Uitvoerig wordt daarover gesproken in de najaars­vergadering van de synode. Volgens het moderamen moet het on­juist geacht worden dat de oorzaak van veel kerkelijk kwaad gezocht wordt in de wijze waarop de kerk haar apostolaire roe­ping vervult (pag. 129vv). De polarisatie neemt steeds meer toe. Dit bereikt een hoogtepunt wanneer in 1971 het Getuigenis verschijnt. Boeiend wordt beschreven hoe dit schrijven wordt ontvangen. Zo'n terugblik meer dan dertig jaar na dato kan als blikopener fung­eren.  Van der Graaf komt zelf tot de conclusie dat “de barthi­aanse lijn inzake het apostolaat in de naoorlogse jaren domi­nant is geworden en de theocratische lijn van Van Ruler het onderspit heeft moeten delven. In de praktijk kwam het erop neer, dat het persoonlijke aspect in het apostolaat verdween: het ging vooral om de samenleving, om een betere we­reld, die in principe verzoend is. Die benadering was vooral te vinden bij het instituut Kerk en Wereld en op grootschaliger niveau bij de Wereldraad van Kerken. Jawel, men wilde 'bij de mensen' zijn, maar de mensen werden niet meer bij Jezus Christus gebracht” (pag. 163).

Er wordt zelfs gesproken over het bankroet van de apostolaatsthe­ologie. Heeft de schrijver daarin niet gelijk? Hij daagt uit tot een weerwoord. Wie neemt de handschoen op? 

 

J. van der Graaf, De Nederlandse Hervormde Kerk, Belijdend onderweg 1951 - 1981 - 2001, Uitgave Kok, Kampen 2003. ISBN 90 435 0671 0, prijs € 29,90
 

Doorzoek de pagina

Bezoekers

Artikelweergaven (hits) : 283093